Wat is autisme?


Het afgelopen jaar, het laatste jaar van mijn opleiding tot natuurgeneeskundig klinisch aromatherapeut aan FytArom, heb ik mij volledig in de wereld van autisme verdiept. Het was dan ook het onderwerp van mijn afstudeerscriptie. Daarom hier een kleins stukje over wat autisme is.


Een spectrum

Autisme is enorm breed. Het heet dan ook niet voor niets autisme spectrum stoornis. Het is een spectrum en misschien kun je zelfs zeggen een 3D model. Er zijn verschillende facetten die iets met de stoornis te maken hebben en al die facetten kun je weer als een spectrum zien waar iemand in meer of mindere mate last van ondervindt.


Een andere ontwikkeling

Uiteindelijk komt het erop neer dat de hersenen net even anders werken dan bij een neurotypisch persoon. Zo is er vaak moeite met communicatie en komen prikkels anders binnen. Psycholoog Remco van der Werff (2021) zegt dat hij liever niet spreekt van een stoornis maar over een andere ontwikkeling van de hersenen. Hij noemt het ook wel “andersom ontwikkeling van de hersenen”. Hiermee bedoeld hij dat er vaak sprake is van eerst een sterkere ontwikkeling van het cognitieve denken en pas later van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Iets wat bij neurotypische kinderen precies andersom gebeurt.


De sociale intuïtie, het aanvoelen en interpreteren van de ongeschreven regels in communicatie, is vaak anders ontwikkeld bij autistische mensen. Hoewel veel mensen, met name vrouwen, dit erg goed kunnen verbergen, vaak door wat ze hierin missen te compenseren met hun intellect, kan dit in het dagelijkse leven tot problemen lijden. Van ongemak tot misverstanden en zelfs angst in sociale situaties.

Autistische mensen verwerken informatie vaak anders dan neurotypische mensen. Met name informatie die we ontvangen via onze zintuigen. Er kan zowel sprake zijn van over- als onderprikkeling. Sommige prikkels komen dus veel harder binnen, en andere misschien juist minder. Dit kan tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld pijn veel eerder of later pas wordt waargenomen maar ook dat de geluiden en of geuren van bijvoorbeeld een drukke winkel veel harder binnen komen.


Kortom een autistisch persoon beleeft de wereld vaak heel anders dan iemand die niet op het spectrum zit.


Omdat er (nog) geen biomarker is voor ASS wordt een diagnose gesteld aan de hand van gedrags- en belevingskenmerken. De specifiecaties worden uitgebreid beschreven in de DSM-5.


Wat is de DSM-5?

DSM-5 is de afkorting van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fifth Edition. De DSM-5 is de vijfde editie van een diagnostisch standaard werk van de American Psychiatric Association. In het boek worden psychologische aandoeningen en hun criteria beschreven om zo het diagnosticeren en groeperen van aandoeningen gemakkelijker te maken.


Autisme volgens de DSM-5

Om de diagnose autismespectrumstoornis te krijgen zijn er verschillende criteria waaraan voldaan moet worden. Deze hebben allemaal een letter gekregen: A, B, C, D en E. Vervolgens wordt de ernst van de diagnose ingedeeld in 3 groepen. 1,2 en 3. De ernst van de diagnose wordt gebaseerd op hoeveel moeite met/last van de beperkingen in de sociale communicatie (criterium A) en beperkte, repetitieve gedragspatronen (criterium B) er is. Kortom, hoeveel last heeft iemand ervan en hoeveel begeleiding heeft de persoon in kwestie nodig om te kunnen functioneren in de samenleving.


Criterium A is gericht op “persisterende deficiënties in de sociale communicatie en sociale interactie” en bestaat uit verschillende kenmerken. Al deze kenmerken moeten aanwezig zijn om de diagnose ASS te krijgen. Kenmerk 1 is “deficiënties in de sociaal-emotionele wederkerigheid”. Kenmerk 2 is “deficiënties in het non-verbale communicatieve gedrag, dat gebruikt wordt voor sociale interactie”. En tot slot kenmerk 3: “deficiënties in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties”.


Criterium B is gericht op “beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten”. Dit criterium bestaat uit 4 kenmerken. Voor de diagnose ASS moeten hiervan minstens 2 van deze kenmerken aanwezig zijn. Kenmerk 1 is “stereotiep(e) of repetitieve motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of gesproken taal”. Kenmerk 2 is “hardnekkig vasthouden aan hetzelfde, inflexibel gehecht zijn aan routines of geritualiseerde patronen van verbaal of non-verbaal gedrag”. Kenmerk 3 is “zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal intens of gefocust zijn”. En kenmerk 4 is “hyper- of hypoactiviteit op zintuigelijke prikkels of ongewone belangstelling voor zintuigelijke aspecten van de omgeving”. Dit laatste kenmerk is waar ik me vooral op heb gericht in mijn scriptie.


Criterium C stelt dat de symptomen al aanwezig moeten zijn van jongs af aan. Hoewel ze soms pas later aan het licht komen wanneer de sociale eisen te hoog worden of in sommige gevallen juist gemaskeerd worden door aangeleerde strategieën of gedrag.


Criterium D stelt dat er daadwerkelijk sprake moet zijn van “klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren of andere belangrijke terreinen”.


Criterium E sluit andere stoornissen uit als oorzaak van de problemen. Dit betekent overigens niet dat er niet meerdere stoornissen naast elkaar kunnen bestaan. Sterker nog, dit is vaak het geval.


Dat was het weer voor vandaag. Had je al een duidelijk beeld van autisme? Ken je misschien iemand op het spectrum? Of heb je nog vragen over het onderwerp? Laat het me vooral weten! Voor nu veel succes met de volgende stappen op jouw brug en ik wens je alle geluk toe en een prachtige rest van je dag.

❤ Eva


 

Bronnen

American Psychiatric Association. (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 5th Edition (DSM-5®) (5 ed.). (p. d. Hengeveld, Vert.) Amsterdam: Boom uitgevers. Opgeroepen op 2021

0 views0 comments